Vlucht
‘Achterlijke trut!’ Een groep meisjes, aangevoerd door een meisje met kort zwart hart, gillen allerlei vreselijke woorden door de lucht.‘Grijp die stomme kankertrut…!’ Zonder om te kijken ren ik verder. Er is geen tijd om te stoppen, niet nu. Nog lang niet. Niet voordat ze verdwenen zijn, of tenminste niet zo hard meer klinken. Afstand is alles wat ik nodig heeft. Lange benen ook. Net als mijn moeder.Volgens mijn zusje heb ik alle mooie dingen van onze ouders en zij alle lelijke dingen. Of zeggen pappa en mamma dat altijd. Ik heb de lange benen van mijn moeder, de krullen van mijn vader, de talenknobbel van mijn moeder en de muzikaliteit van mijn vader. Zij heeft niets van dat alles. Integendeel. Haar benen zijn kort, haar haar piekerig en waskleurig blond en haar ogen een vaag soort grijs. Geen enkele bijzondere eigenschap. Saai, dertien in een dozijn. Alleen, zij hoeft nooit te vluchten.Vanuit mijn ooghoek, kijkende mensen. Niet dat ze iets doen, maar de meewarige blikken ken ik wel. De groenteboer die altijd half zijn hand omhoog steekt, alsof hij één van haar achtervolgers bij de kraag wil vatten, maar zich op het laatste moment bedenkt. De oude vrouw van 2-hoog, die op haar klapstoeltje voor het portiek zit. Voor haar is dit gewoon amusement. Het zijn immers kinderen, ravottende kinderen, niets waar zij zich ongerust over hoeft te maken.Stroomstootjes schieten door mijn kuiten en ik ben de groenteboer en de oude vrouw alweer vergeten. Ik heb geen tijd om lang over dit soort dingen na te denken. Ik voel de lucht als een scherp mes mijn longen binnenstromen. Ook in mijn zij voelt het alsof er iemand met een scherp object aan het peuteren is.Ik ren een smalle steeg in. Overal staan spullen, kisten, vuilniszakken. Een ijzeren trap omhoog. Waar ben ik veilig? Dan zei ik een wat grotere ijzeren vuilcontainer staan.‘Waar is ze gebleven?’ Rennende, marcherende voeten. Duizenden naaldjes prikken in mijn buik. Haast, altijd op de vlucht. Lange benen, goed om te rennen, goed om te klimmen. Snel ga ik op mijn tenen staan en duw de deksel omhoog. Een vieze walm komt mij tegemoet, maar zonder aarzeling zet ik mijn voeten tegen de zijkant van de container en trekt me omhoog. Stank jaagt mij geen angst aan. Rottende etensresten net zo min.De rand van de container duwt diep in mijn kuit. Ik duw mezelf over de rand. De val doet niet eens pijn, zachte plastic zakken liggen op de bodem.De naalden prikken harder. De ijzeren deksel moet naar beneden. Mijn handen klauwen. Lange vingers. Ook van mijn moeder. Dan blijf ik stil zitten, in het donker.‘Kaboem, kaboem, kaboem…’ Mijn hart klopt in mijn oren. Suizen bijna. Dan hoor ik de stem van het meisje met het korte, zwarte haar. Die nieuwe.‘Weten jullie zeker dat ze hier in ging?’ Het antwoord kan ik niet goed horen, teveel stemmen door elkaar. Dan worden de stemmen zachter, alsof ze verder weg zijn. Het bonkt nog steeds. Nu in mijn hoofd. Wel langzamer.‘Rrggghhhhrrrr.’ Het ritselende geluid klinkt schuin voor me. Snel, dan is het weer stil. Niet ademen, vooral niet ademen. Het bonken is weer begonnen. Hard en snel. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en probeer iets in de richting van het knisperende geluid te kijken. Iets te onderscheiden in het stinkende donker. Er komt zelfs geen klein beetje licht naar binnen, iets waaraan ik kan wennen, mijn ogen op kan ijken. Maar niets van dat alles. Daarbij zijn de kinderen die mij achtervolgen nog steeds ergens in de buurt. Hun stemmen klinken ver weg, maar niet ver genoeg. Net als kleine piepjes. Het is de angst. De angst hierbinnen en de angst daarbuiten.Misschien als ik doodstil blijf zitten, zonder te bewegen, misschien dat het dan allemaal verdwijnt.© Natasza Tardio – Fragment uit ‘Ik ben geboren in Disneyland’
Buon compleanno
Het huist bruist vandaag, mijn zoontje is jarig, of ik moet eigenlijk zeggen zoon, want hij is àl zeven. Zeven is groot en eerlijk gezegd vind ik dat ook. Zeven klinkt zoveel groter dan zes. Met mijn armen over elkaar observeer ik in stilte zijn gezicht. Hij slaapt nog. Om vijf uur ’s ochtends droomt hij waarschijnlijk over feestjes, trakteren en natuurlijk cadeaus. Ik laat me erin meeslepen en realiseer mij voor het eerst hoe wonderlijk dat kinderlijke verjaardagsgevoel eigenlijk is. De spanning, de verwachting. En dan word je volwassenen en tel je de nachtjes niet meer af.
Zeven is al groot, dat weet ik best, maar voor het voelen van dit soort verjaardagsgeluk is hij gelukkig nog lekker klein.
Tanti auguri caro Angelo!
Waarheden