~ Fragment of ‘Dying Couple’ - Odd Nerdrum ~
De pijn, de immense pijn. Allesoverheersend, allesvernietigend, bijna alles. Wat rest zijn de vlammen die door mijn hele lichaam schieten en me verzwelgen, me opeten. Pijn, pijn, pijn, pijn…. Ik weet allang niet meer of ik gil of dat ik het gillen alleen in mijn eigen hoofd hoor. De verpleegster die mij verzorgt zegt er in ieder geval niets van, aan de andere kant misschien is ze het wel gewend en hoort dit gewoon bij haar werk. Stilzwijgend luisteren en rondschuifelend, met hier en daar een helpende hand. En dat alles onder het mom van dienstbaarheid, welwillendheid terwijl haar patiënten gillen, schreeuwen en eenzame, hopeloze gevechten met zichzelf houden. Hoe sadistisch, je moet wel iets sadistisch hebben om dat beroep uit te kunnen oefenen, dat kan niet anders.
Het bed lijkt te klein, veel te miniem om mijn leed te dragen. En toch lig ik hier, alleen, met niets anders dan mijn gedachten, mijn angsten en mijn herinneringen. Misschien denkt ze dat ik straks toch dood zal zijn en praat ze daarom niet. Of misschien is dat wel de reden van het weinige bezoek de laatste tijd. Ook tijdens deze momenten wordt er niet of nauwelijks gesproken. Alleen maar over ditjes en datjes. Lekker veilig zullen ze er vast wel bij denken.
´Mooi weer he?´
´Ja schitterend, tenminste zo achter het glas.´
Stilte….
´Krijg je veel bezoek?´
´Valt wel mee. De meeste mensen vinden het maar eng, zo´n ziekte.´
´Tja, ik begrijp het. Nou in elk geval ben ik er nu.´
Ja, joepie, zij is er nu, let´s party…
´Je ziet er trouwens goed uit.´
´Oh ja?´ Hoe goed kun je er in Godsnaam nog uitzien met nog slechts een paar weken te gaan, áls ik geluk heb.
´Ja, veel beter dan de laatste keer dat ik hier was, maar goed, dat is ook wel weer een tijdje geleden …´
Ja, inderdaad! Een heel lang tijdje…
Stilte….
‘Hee ik moet gaan, je weet hoe het gaat hé, kinderen verwachten mij thuis, trouwens Ben ook. O, ja, ik moest je nog de groeten geven en excuses dat hij nog niet geweest is, hij heeft het zo druk gehad de laatste tijd. Je kent het wel…´
´Geeft niets.´
´Nou, dan ga ik maar. Ik kom snel weer een keer langs okay? Daaggg.´
Nou, dat soort gesprekken volgen er dan. Total waste of time. Tenminste als je het mij vraagt. Maar de laatste dagen is het extreem rustig geweest. Je zou toch verwachten dat juist nu, nu het einde er bijna was, dat er juist nu meer bezoek zou zijn. Maar mijn ziekte is onderdeel van hun leven geworden, oud nieuws, waar alleen nog over gesproken word tijdens verjaardagen.
´Ben je de laatste tijd nog bij Simeon geweest? Ik hoor dat het heel slecht met hem gaat. Een aflopende zaak.´
´Ja, dat heb ik ook gehoord. Ik moet eigenlijk een keer langs gaan.´
´Ja, eigenlijk wel. Ik zou dat ook moeten doen. Straks is -ie er niet meer.´
´Nee, straks is -ie er niet meer.´
Stilte….
´Tja, voor je het weet is het voorbij… Hoe gaat het trouwens met je kinderen? Wil jij nog een toastje?´
En het ergste van dit alles is dat ik mij hier ook schuldig aan heb gemaakt. Ik ken het ongemakkelijke gevoel van onbehagen, wanneer de dood van iemand die ik ook kende, werd besproken. Meestal was dat het moment waarop ik naar het toilet moest. Tegen de tijd dat ik terug was, ging het gesprek over iets anders. De dood, maar erger nog, ongeneeslijke ziektes, waren niet echt stof voor verjaardagen en partijen. En aangezien mijn ingewanden momenteel wegrotten tot er niets meer te rotten is, ik nu dus ook niet. De dood maakt eenzaam…
Alle rode lampjes beginnen opeens weer te knipperen in mijn hoofd. Pijn, zo veel pijn. Scheuten worden lukraak door mijn buik gelanceerd. Zelfs de morfine die via een kastje in mijn borst kan worden vrijgelaten, helpt niet meer. Niets helpt meer, ik ben inderdaad niets meer dan een rottend overblijfsel van de man die ik ooit was. Een schaduw… In mijn hoofd begin ik weer te gillen, steeds harder en harder, net zo hard en net zo lang tot er niets meer is…
© Natasza - 18 maart 2007