Letters

 

Zou er een hemel voor lettertjes zijnLetters die leven, diep van binnen in mijBombastisch of klein dan weer zoet of zuurSoms vol van verdriet, dan weer van passie en vuurEn bestaan in die hemel voor letters hierbovenBoeken vol tekens die van alles belovenDie de waarheid in heiligheid weg lijken te vagenOm samen te smelten tot duizenden vragenEn zouden in die hemel ook woorden verblijvenLetters die samen betekenis krijgenOp zoek naar contact, een gevoelig woordNiet omdat zij letters zijn, maar omdat het zo hoortEn als al die letters door de hemelpoort gaanZou zo´n hemel dan uit Pulitzer prijzen bestaanOf is er alleen maar gewauwel te horenIeder voor zich, niet samen naar vorenEendracht maakt macht en precies zoals het hoortVormen de letters tezamen, een prachtig nieuw woordSommigen uit de hemel, anderen weer uit de helMaar zonder samen te werken, was dit een leeg vel© Natasza Tardio - woensdag 21 maart 2007

De dood maakt eenzaam

~ Fragment of ‘Dying Couple’ - Odd Nerdrum ~

De pijn, de immense pijn. Allesoverheersend, allesvernietigend, bijna alles. Wat rest zijn de vlammen die door mijn hele lichaam schieten en me verzwelgen, me opeten. Pijn, pijn, pijn, pijn…. Ik weet allang niet meer of ik gil of dat ik het gillen alleen in mijn eigen hoofd hoor. De verpleegster die mij verzorgt zegt er in ieder geval niets van, aan de andere kant misschien is ze het wel gewend en hoort dit gewoon bij haar werk. Stilzwijgend luisteren en rondschuifelend, met hier en daar een helpende hand. En dat alles onder het mom van dienstbaarheid, welwillendheid terwijl haar patiënten gillen, schreeuwen en eenzame, hopeloze gevechten met zichzelf houden. Hoe sadistisch, je moet wel iets sadistisch hebben om dat beroep uit te kunnen oefenen, dat kan niet anders.

Het bed lijkt te klein, veel te miniem om mijn leed te dragen. En toch lig ik hier, alleen, met niets anders dan mijn gedachten, mijn angsten en mijn herinneringen. Misschien denkt ze dat ik straks toch dood zal zijn en praat ze daarom niet. Of misschien is dat wel de reden van het weinige bezoek de laatste tijd. Ook tijdens deze momenten wordt er niet of nauwelijks gesproken. Alleen maar over ditjes en datjes. Lekker veilig zullen ze er vast wel bij denken.

´Mooi weer he?´
´Ja schitterend, tenminste zo achter het glas.´
Stilte….
´Krijg je veel bezoek?´
´Valt wel mee. De meeste mensen vinden het maar eng, zo´n ziekte.´
´Tja, ik begrijp het. Nou in elk geval ben ik er nu.´
Ja, joepie, zij is er nu, let´s party…
´Je ziet er trouwens goed uit.´
´Oh ja?´ Hoe goed kun je er in Godsnaam nog uitzien met nog slechts een paar weken te gaan, áls ik geluk heb.
´Ja, veel beter dan de laatste keer dat ik hier was, maar goed, dat is ook wel weer een tijdje geleden …´
Ja, inderdaad! Een heel lang tijdje…
Stilte….
‘Hee ik moet gaan, je weet hoe het gaat hé, kinderen verwachten mij thuis, trouwens Ben ook. O, ja, ik moest je nog de groeten geven en excuses dat hij nog niet geweest is, hij heeft het zo druk gehad de laatste tijd. Je kent het wel…´
´Geeft niets.´
´Nou, dan ga ik maar. Ik kom snel weer een keer langs okay? Daaggg.´

Nou, dat soort gesprekken volgen er dan. Total waste of time. Tenminste als je het mij vraagt. Maar de laatste dagen is het extreem rustig geweest. Je zou toch verwachten dat juist nu, nu het einde er bijna was, dat er juist nu meer bezoek zou zijn. Maar mijn ziekte is onderdeel van hun leven geworden, oud nieuws, waar alleen nog over gesproken word tijdens verjaardagen.

´Ben je de laatste tijd nog bij Simeon geweest? Ik hoor dat het heel slecht met hem gaat. Een aflopende zaak.´
´Ja, dat heb ik ook gehoord. Ik moet eigenlijk een keer langs gaan.´
´Ja, eigenlijk wel. Ik zou dat ook moeten doen. Straks is -ie er niet meer.´
´Nee, straks is -ie er niet meer.´
Stilte….
´Tja, voor je het weet is het voorbij… Hoe gaat het trouwens met je kinderen? Wil jij nog een toastje?´

En het ergste van dit alles is dat ik mij hier ook schuldig aan heb gemaakt. Ik ken het ongemakkelijke gevoel van onbehagen, wanneer de dood van iemand die ik ook kende, werd besproken. Meestal was dat het moment waarop ik naar het toilet moest. Tegen de tijd dat ik terug was, ging het gesprek over iets anders. De dood, maar erger nog, ongeneeslijke ziektes, waren niet echt stof voor verjaardagen en partijen. En aangezien mijn ingewanden momenteel wegrotten tot er niets meer te rotten is, ik nu dus ook niet. De dood maakt eenzaam…

Alle rode lampjes beginnen opeens weer te knipperen in mijn hoofd. Pijn, zo veel pijn. Scheuten worden lukraak door mijn buik gelanceerd. Zelfs de morfine die via een kastje in mijn borst kan worden vrijgelaten, helpt niet meer. Niets helpt meer, ik ben inderdaad niets meer dan een rottend overblijfsel van de man die ik ooit was. Een schaduw… In mijn hoofd begin ik weer te gillen, steeds harder en harder, net zo hard en net zo lang tot er niets meer is…

© Natasza - 18 maart 2007

Het CWI of sterven…

 

Het gewicht op mijn schouders wordt groter en groter. Zwaarder dan ik kan tillen en hoewel ik het probeer, merk ik dat het steeds moeilijker wordt. Dat wat mij gelukkig maakte lijkt me nu te ontglippen en mijn leven zoals ik het tot nu toe heb gekend, lijkt als los zand uit elkaar te vallen. Werk, privé, het is gewoon één grote pot stront. En ik? Ik hobbel achter de feiten aan, of beter gezegd ik ren achter de feiten aan en probeer te lijmen waar te lijmen valt, te zoeken waar nog iets zou kunnen worden gevonden, mijn hond niet te vermoorden als hij weer eens in het park heeft gescheten en de parkwachter mij wijst op het drollenschepje dat ik verplicht bij mij hoor te dragen en zo kan ik nog wel vele dingen opnoemen.Ik vraag me wel eens af of er überhaupt nog leuke dingen gebeuren in mijn wereld. Misschien wel in DE wereld, maar in het deel waar ik mij bevind zeer zeker niet. Ik loop er altijd een beetje achteraan. Word verneukt waar ik bij sta en bejubeld als ik het niet kan horen. Vervelende zaak. Een heel vervelende zaak als ik eerlijk mag zijn en dan gaat het er morgen dan eindelijk van komen. Of beter gezegd, morgen kan ik er niet meer onderuit en gaat het dan echt gebeuren. Mijn gang naar het CWI. Ondanks dat ik jaren heb trouw heb afgedragen en dus al het recht zou hebben om de binnenkant van mijn hand naar voren te steken, zou ik liever diep onder een steen als wanstaltige pissebed willen verdwijnen. Hoewel ik mij altijd heb weten te bedruipen, leidt mijn recente ´dump´ door het bedrijf waar ik de afgelopen jaren al mijn tijd, energie, maar bovenal mijn loyaliteit heb ingestopt, tot een onafwendbare gang naar het arbeidsbureau. Na meer dan 40 sollicitaties te hebben uitgestuurd en daarvan alweer 29 afwijzingen in mijn e-mail terug te hebben gekregen, gaat het er dan, al tegenspartelend, toch echt van komen.Terwijl ik in de spiegel staar vraag ik me af: ´Ga ik mij dan werkelijk vereenzelvigen met de sociale afdankertjes in onze samenleving, de beroepswerklozen, de jongeren die echt niet gaan werken voor hetzelfde geld als ze bij een uitkering zouden krijgen, en de allochtonen die na 35 jaar nog steeds geen fatsoenlijk woord Nederlands beheersen?´ Alles in mij schreeuwt: ´Nee´, maar er is geen keuze, ik zal wel moeten. Zonder geld, geen eten. Ook niet echt vreselijk, kan ik eindelijk een beetje afvallen. Dunner worden omdat het moet. Zou een mooie titel voor een boek kunnen zijn. Maar het gaat helaas niet alleen om mij. Die klote hond wil ook zijn brokken en dat wijf van me dat elke dag languit op de bank haar stuiverromannetjes ligt te lezen, wil ook een warme hap elke avond. Niet dat zij het gaat koken, maar als er geen geld is om eten te kopen, dan betekent dat, dat ik ook niet kan koken. Ergo, de hongerige maag van de grootste lanterfantster in mijn wereld, zal niet kunnen worden gevoed. En hoewel mij dat eigenlijk geen fuck kan interesseren, is het gezeik van die bitch vele malen erger dan boodschappen doen en koken.Langzaam loop ik naar het balkon. Als ik het weer mag geloven is er geen vuiltje aan de lucht, maar goed, wie vertrouwt tegenwoordig nog op het weer. Niemand toch? Behalve de goedgelovigen onder ons en geloof me, daar hoor ik sinds een aantal weken niet meer bij. Mijn naïviteit heb ik ruim twee weken geleden in de boardroom van mijn ex-werkgever laten liggen, net zoals de winter dit jaar ver boven nul is gebleven. Op die paar dagen sneeuw na, is de temperatuur zo goed als niet onder de 10 graden geweest. Zelfs het weeralarm van ruim een maand geleden kon daar geen verandering in brengen. In de wereld bestaat geen puurheid meer en de seizoenen hebben zich daaraan aangepast. De witte sneeuwdeken, vergezeld van Jezus-achtige praktijken, waarbij ons zeikvolkje zich op ijzers over het water verplaatst, is weggebleven en of de zon zich komende zomer weer in alle heftigheid laat zien, is ook nog maar te betwijfelen. Waarschijnlijk zal het wel weer regen. Zure regen als zuivering, humbug zou Scrooge hebben gezegd en dan zou hij nog gelijk hebben ook. Als die drie geesten nu zouden komen, dan zou de geest van de toekomst een flinke noot hebben te kraken. De toekomst wordt namelijk steeds korter en met het inkrimpen van de tijdsspanne, groeit de onzekerheid. Onzekerheid net zo groot als de baanloze staat waarin ik momenteel verkeer. Het is dus inderdaad allemaal humbug, maar als Dickens in deze tijd had geleefd dan zou Scrooge gewoon hebben gezegd dat het fucking shit is.Terwijl ik naar beneden staar, voel ik mij alsof ik mij in een tekening van Escher bevind. Alles lijkt te kloppen, maar tegelijkertijd klopt het ook niet. Ik zie de ijzeren miertjes zich al toeterend en totaal niet synchroon door de straten vervoeren, om nog maar niet te spreken over de kleine figuurtjes die zich langs elkaar en door elkaar bewegen. Van boven naar beneden, trap op en trap af. Op weg naar kantoor, op weg naar huis, op weg naar geliefdes, op weg naar de vrijheid. Als ik nu stap kan ook ik op weg naar de vrijheid, dat of het schrikwekkende CWI… Dat is toch geen keus, schreeuw ik in stilte terug, maar het blijft stil. Op die autogeluiden na dan, zelfs serene gedachtes kunnen daar geen verandering in brengen, dus laat staan die verwarde brei in mijn hoofd dat zich beroept op de titel van hersenen. Dan kijk ik weer naar beneden. Het CWI of sterven, het is zo´n simpele vraag en al zuchtend sluit ik mijn ogen. Als ik ze weer open draai ik me om en ga weer naar binnen. Sterven kan altijd nog, ik ga eerst die kuthond naar beneden pleuren. Misschien lucht dat op…© Natasza - 11 maart 2007

Een bootje van papier

Op de plek waar ik vandaan kom is alles zwart. Een duister pek waar ik mij maar met moeite doorheen kan worstelen. Soms lijkt het alsof ik het licht kan zien, vaag, in de verte, maar meestal is dat maar van korte duur en omringt mij het opkruipende duister alweer snel. Af en toe wordt het me teveel en probeer ik te ontsnappen naar een plek waar ik kan verblijven wanneer alles mij teveel word, maar hoe ik ook heb gezocht, ik kon niet ontsnappen. Ik hoop dat ik die plek nu gevonden heb….De letters op het grauwe briefpapier lijken te dansen. Op en neer, heen en weer en nu de kaarten eindelijk op tafel liggen, is het mij duidelijk. Er is geen weg terug, zelfs geen zijpad, er is alleen maar een weg vooruit. Vooruit zullen we gaan. Niemand weet de uitkomst, de antwoorden, het waarom. Is er altijd een waarom?De letters blijven voor mijn ogen dansen. In mijn hoofd hangt een dikke mist. Er klopt iets niet. Ik moet verder lezen, begrijpen, een verklaring, maar de letters dansen steeds vlugger. Steeds sneller op en neer. Alsof ik op een boot zit en het stormt. De regen slaat in mijn gezicht en grote golven slaan over het dek heen. Prikkende, opgezwollen vingers. Koud en hard. Bijna net zo koud en hard als mijn hart. Mijn bevroren hart. Bevroren in het verleden, een verleden van nog geen twee uur geleden. Slechts twee uur…Met de brief in mijn hand loop ik richting de gang. Het klopt in mijn hoofd, gebonk wat beantwoordt wordt door iets in mijn borstkast. Een koud geklop, een vage echo van dat wat ooit vol passie had geleefd. De badkamerdeur staat open. Misschien zit ik een film, maar misschien ook niet… Stap voor stap overwin ik de afstand. Op het tafeltje in de gang grijnst een glazen clown mij aan. Een afschuwelijk ding, maar zij had hem prachtig gevonden. Buiten het geluid van stromend water, was het doodstil. Was het hier wel eens eerder zo stil geweest?Op de grond is het nat. Rood water, schiet het door mijn hoofd en tegen de stroom in is de verklaring van al die rode nattigheid. Spatterende, spetters rood. Op de grond vallen ze in geweld uit elkaar, in een rivier van ellende. De hand hangt in zwijgzame stilte over de rand. Druppels stromen langs de binnenkant, over levenloze vingers en blijven nog even als in een wanhopige kus des doods aan de vingertoppen hangen. Het rood schreeuwt vanaf de witte hand, voor het de afgrond in stort.Mijn lichaam voelt zwaar en log. Er zijn geen complete antwoorden meer. Geen uitleg, geen begrip. Vijftig procent vul ik in met dat wat ik weet, maar de andere vijftig procent stroomt langs mij heen. Zwijgzaam, in rood verzet, dat wel, maar meer antwoord dan dat zal ik nooit krijgen. En op de rode rivier deint een papieren bootje. Een bootje met dansende letters. Dan zinkt het…© Natasza - 2 maart 2007