Het geluid weerkaatste tussen de muren, een hol geluid, angstaanjagend leeg. Het echode alsof de stilte voor altijd was verdwenen. Wapperende haren, rennende voetjes. Even keek de jonge vrouw schichtig om haar heen. Er was helemaal niets te zien, maar dat gevoel, het gevoel dat ze werd bespied, dat er iemand naar haar keek. Maar er was helemaal niets, behalve dan het geluid, het gebrek aan stilte, ja, dat was er wel, dat en het geluid van rennende voetjes en wapperende haren.
De smaak van ijzer verspreidde zich in haar mond. Roodachtig vocht. De stemmen zoemden rond in haar hoofd. Alsof er een horde bijen aan het rondvliegen om haar hoofd, in haar hoofd. Haar haren zwiepte rond haar hoofd, ze wilde dat het zou stoppen, dat het stil werd, geen geluiden meer, enkel stilte, glad uitgestreken als de zandvlaktes in de woestijn. Steeds wilder, steeds harder. Ze wilde haar handen naar haar oren brengen, misschien dat het dan rustiger werd, maar ze kon zich niet bewegen, gevangen in haar omhelzing. Ze zat opgesloten in een witte wereld met stemmen. Zacht pratende stemmen, hard schreeuwende stemmen. Ze bedrogen haar, net als iedereen waren de stemmen leugenaars. Fluisterende, huichelachtige leugenaars.´Aaaaaaaaaaaaaaahhhhhh…. Aaaaaaaahhhhhhhhhh´ Haar stem weerkaatste op de kussens, teruggekeerd naar de bron, opgenomen in haar hoofd waar ze rondtolde, voor ze werd opgeslokt door de stemmen en ze monddood werd gemaakt. Een vacuüm in een eindeloze nachtmerrie.
Kaboeng, kaboeng, kaboeng… Bonkend werd het bloed door haar lichaam gepompt en langzaam en schokkend liet ze zich op de grond zakken. Zachte, kunststof kussens in haar rug en onder haar blote voeten, verkoeling in de hitte. Ze zag niets anders dan de witte donzigheid, gillende geluiden in haar hoofd. Ogen wijdopen gesperd, haar lichaam stijf ingepakt, onwrikbare vesting, haar armen die haar omarmde, haar knieën hoog, opgetrokken tegen haar borst. Valse geborgenheid, begeleidt door een bang kloppend hart. Ze was opgesloten, opgesloten in de werkelijkheid en opgesloten in haar hoofd.
De witte kussens om haar heen begonnen langzaam te verdwijnen en maakte plaatst voor een doffe schemering. Haar ogenleden waren zo zwaar, alsof ze van cement gemaakt waren. MISSCHIEN MOET JE EVEN RUSTEN. HEEL EVEN MAAR, EVEN KAN GEEN KWAAD. De stem in haar hoofd klonk zo bezorgd, misschien had hij wel gelijk, misschien kon het geen kwaad en langzaam liet ze zich meedrijven met de bezwarende loomheid en de valse vertrouwdheid van de stemmen in haar hoofd. Haar ogen sloten zich langzaam, en in overgave kwamen de schimmen. Langs de eens zo pure muren begonnen rottende schimmen zich als stinkend teer een weg naar beneden te banen, langzaam dichterbij. GA MAAR SLAPEN, ALLES IS VEILIG… De stem had gelijk, alles was veilig. Even trilde haar wimpers nog, als in een poging verzet te plegen, maar toen won de duisternis en werd alles stil…
Het was donker, pikdonker en stil. Doodse stilte verbroken door een streepje licht dat door het sleutelgat naar binnen sijpelde. In het midden van de kamer zat een schim, nauwelijks te onderscheiden van de omhullende duisternis. Verder was er niets, helemaal niets… of toch? Heel ver weg was een hoge toon te horen. Bijna niet te verstaan, maar het geluid werd steeds harder, scherper, hoger. Waanzinnige angst die door het donker werd verspreidt. Steeds harder, steeds dichterbij.
De schim bleef roerloos, de wijdopen gesperde ogen bevroren in het moment. Nu zonder gevoel, zonder beweging. Haar mond gesnoerd door onzichtbare vijanden, maar haar ogen spraken de werkelijkheid, haar ogen en het gegil, het alles doordringende gegil.
De schim was de stilte voorbij, zij was de stilte voorbij. Nu kon ze alleen nog maar gillen en gillen en gillen. En niemand zou luisteren, want niemand zou het horen, net als toen, net als nu, net als altijd… achter gesloten deuren…
© Natasza