Een rood verleden
Voorzichtig loop ik over het plein. Het is nagenoeg stil. In de verte hoor ik het doffe geluid van rijdende auto´s, maar het valt me nauwelijks op. Het is niets vergeleken met overdag. Duizenden stinkende metalen monsters dringen zich dan op in de straten van de stad. Een vreemde stad, één met karakter, gevormd door een cultureel, maar ook gewelddadig verleden. De lucht is helder en ik zie maanlicht mijn voetstappen verlichten. Het kriebelt in mijn buik, onaangenaam, maar wel bekend. Een vreemdsoortige nostalgie trekt door mijn lichaam. Opgewonden vervolg ik mijn weg, terwijl mijn passen hol weerklinken tegen de rode muren van het Kremlin. Ze staren mij in het zwart-wit na. Bijna mistroostig en afkeurend, maar in het donker bestaan nu eenmaal geen kleuren. Alles is grijs, zwart en wit. Net als mijn hart, hoewel dat nu opgewonden bonkt en zich niets aantrekt van de mistroostige kleurloosheid. Ik laat me er niet door weerhouden en loop door. Mijn afspraak wacht. Een geheime afspraak, gemaakt in een ver verleden. Ik voel koude ogen in mijn rug priemen, dode ogen, maar het stoort mij niet. In de dood ligt immers rust. Zelfs voor gekwelde zielen.
Als ik op het lege plein voor het kathedraal met de ronde torens sta, heb ik het gevoel dat ik een sprookje van duizend-en-een-nachten ben beland. De indrukwekkende kerk staart op mij neer. Even twijfel ik, er trekt een aarzeling als een rilling langs mijn rug omhoog. Tintelende elektriciteit. Dan hoor ik zijn stem, zacht fluisterend in mijn hoofd. Als een bezem veegt het mijn twijfel weg en ik stap de eerste treden op.Door de deur, nog maar een paar passen, de deur, ga door de deur… Als in een trans loop ik door. Dan waait zijn geur in mijn neus, avontuurlijk, warm, afstotend, hard, sterk… Zo lang geleden, als in een ander leven. Maar nu is het dan eindelijk tijd.
Voorzichtig loop ik richting de grote deur van het prachtige gebouw, dan gaat deze langzaam open. Ik haal diep adem en stap dan naar binnen. Witte flarden mist omsingelen als geesten mijn hoofd. Eindelijk ben ik waar ik moet zijn. Als ik omkijk zie ik hoe de deur zich weer heeft gesloten, er is geen weg terug. Het verleden is waar het moet zijn, de toekomst dringt zich op tegen het heden. Ik loop verder naar binnen, nog maar een paar momenten verwijderd van de lang geleden gemaakte belofte. Ooit in een ver verleden…
Ik volg zijn geur en loop via een kleine cel, waar een muurschildering hangt die ik nu in het donker niet kan zien, naar het nauwe gangpad omhoog. Grote treden liggen voor mij en terugdenkend lijken ze nu een stuk kleiner dan toen. Terwijl ik omhoog klim zie ik het raam van de kamer boven al verschijnen. Maanlicht weerkaatst op de muur en uiteindelijk mijn gezicht. Als in een reflex knijp ik mijn ogen dicht, terwijl mijn voeten verder lopen. Wanneer ik ze een fractie van een seconde later weer open doe zie ik de lichten van de stad tot de horizon schitteren. Even blijf ik voor het raam staan. Grote gebouwen met punten steken hier en daar uit de stad omhoog. Stalinistisch geweld, glijdt het door mijn hoofd. Zie hier de resten van de man die meer dan een miljoen landgenoten liet vermoorden. De gebouwen kijken ongenaakbaar terug, zich geruststellend in de wetenschap van hun gewelddadige schoonheid. Ik draai me om en loop richting een andere trap, vlak om de hoek, dan ga ik zitten, zijwaarts leunend tegen de muur. Ik wacht en luister naar mijn hart. Het klopt rustig door, alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat ik mij ´s nachts in het kathedraal bevind. Als ik nu ontdekt zou worden dan zou ik worden gearresteerd. Meegenomen naar een Russische cel. Even denk ik aan die jongen die met zijn vliegtuigje op het rode plein was geland, ik was toen nog een klein meisje en was gefascineerd door zijn lef en brutaliteit. Hij had acht maanden in de cel gezeten, ondervraagd door de KGB, terwijl het voor hem alleen maar een jongensachtige stunt was geweest. Ik voel hoe mijn maag samenkrimpt.´Dat was een andere tijd.´ Ik probeer mijzelf moed in te fluisteren, maar zelfs mijn zachte woorden brengen de krampen in mijn buik niet tot rust. Mijn hartslag bonkt in mijn borstkast, weg is de eerdere kalmte. Ik sluit mijn ogen en probeer te ontspannen. De rust keert langzaam weer terug en ik voel hoe mijn schouders zich ontspannen. Ik laat mijn hoofd nu ook tegen de muur rusten. Mijn ogen voel ik zwaar en ik besluit om ze dicht te laten. Dan voel ik het duister binnentreden, loodzware warmte, rust. Het wordt donker, rustig, zwart. Moskou slaapt…
Wanneer de deuren van de kathedraal opengaan om de eerste bezoekers binnen te laten is het nog rustig. De vroege toeristen kopen hun kaartjes. Sommige worden teruggezonden om een tweede kaartje te kopen, zij zijn immers geen Russen en hebben er aan eentje niet genoeg. In de verte klinken de toeterende auto´s, maar die vallen bijna niet op. Het hoort bij de stad. Voetstappen klinken hol over het rode plein.Dan doet een snerpende gil een paar vogels op het plein met flapperende vleugels opvliegen. Wanneer meerdere mensen de kathedraal in rennen, zien deze toegesnelde toeristen wat de vrouw, met de handen nu voor haar mond geslagen, heeft doen gillen. Op de trap, zijwaarts tegen de muur gezakt, zit een zwart geblakerde vorm, menselijk dat wel, maar verder onherkenbaar. Het hoofd met opengesperd gat, wat ooit de mond geweest moest zijn, lijkt omhoog te kijken. Verstilt, in verbazing. Automatisch volgen de toestromende bezoekers de lege blik. Een paar flarden mist lijken onder het stenen ronde plafond te hangen wanneer hun ogen het kritieke punt hebben bereikt en blijft hangen. Flarden dansende mist, nietszeggend, onopvallend voor de toeristen die de schok van het dode lichaam nog aan het verwerken zijn. Ze kijken weg, terug naar de vorm op de trap. Zij zien niet dat het verleden eindelijk met het heden is versmolten. Ze zien mij niet, alleen dat wat ooit mij is geweest. Ze zien niet dat we weer samen zijn, na jaren van verlatenheid zijn we eindelijk weer samen en niemand die het weet… net als toen. En hoewel ons bestaan per seconde wordt uitgewist door de vroege zonnestralen, die reikend over de achtergebleven communistische gebouwen, de herinneringen aan dat wat eens was, wegvaagt, ben ik niet verdrietig. Ik kijk omlaag en zie het toesnellende ambulance personeel, daarna kijk ik omhoog en zie zijn gezicht. Vergeten is de verlatenheid, het gevoel van verlies, jaren van eenzaamheid. Woorden zijn immers overbodig, we spreken zonder geluid. Zijn gedachten zijn mijn gedachten en andersom, zoals het ooit eerder was. Eindelijk zijn we weer samen, versmolten in de flarden mist.
Moskou ontwaakt…
© Natasza - 25 mei 2006