De laatste plek

Sterretjes snellen met een sneltreinvaart naar beneden. Kleine streepjes licht die door het zwart van de nacht heensnijden. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en voel hoe koude vlokken mijn mond binnen dwarrelen. Smeltend op mijn tong.Van snel naar langzaam tot ze tot stilstand komen op de donkere, natte ondergrond. Een krakende, donzen, witte deken.Om mij heen hoor ik de donkere klanken van de oude koperen kerkklok.Het Ave Maria zwelt aan en hoewel ik niet binnen de middeleeuwse kerk ben, trilt het geluid door mijn lichaam. Het lichaam van God, denk ik er min of meer cynisch achteraan. Ik leg mijn hand op de half scheefstaande grafzerk, het dreunen van de kerkklok trilt door de met mos overgroeide steen.Een zoemend gevoel, dan loop ik verder. Weg van het Ave Maria. Ik kan niet langer meer omhoog kijken en mijzelf verliezen in het bijna sprookjesachtige moment. Nu kan ik alleen nog maar vooruit, de sneeuw kriebelend op en in mijn neus.Wanneer het pad naar rechts buigt laat ik mij gewillig meevoeren. Het maanlicht weerkaatst als zilver op de grond en de dennenbomen die zijdelings mijn pad begeleiden, glimmen de nacht in. Een witte sprookjesnacht, maar ik moet verder, net als de zingende mensen in de kerk.Waar ik ga komt niemand, ook niet na de kerkdienst wanneer er altijd een paar mensen zijn die nog even de begraafplaats oplopen. Een bezoek aan een geliefde, een gestolen kus. Vele redenen drijven de nachtelijke bezoekers, maar zover als waar ik mij nu bevindt doorgaans niet. Te donker, te eng, maar niet voor mij, ik loop door, tot net achter de laatste heg.Daar ligt het graf en daar ga ik liggen. Op mijn rug. Net als een jaar geleden, toen je mij je geheim vertelde.Als ik omhoog kijk flitsen de vlokken met de snelheid van het licht naar beneden . Samen, net als wij eens waren. Liggend op onze ruggen, nat van de sneeuw, maar ook van het zweet. Verloren in de tijd versmolten we in elkaar. Hete lust en donkere passie.Toen vertelde je mij dat je op deze plek voor altijd zou rusten. Niet nu, maar over een paar maanden. Het zou jouw laatste plek op aarde worden.Ik rende weg, wilde het niet geloven, maar in de maanden daarna verhuisden er telkens kleine stukjes van jou naar die plek. Je haar, de kuiltjes in je wangen, je kracht, tot alles er bijna was en ik alleen nog maar zat naast botten en een zeemleren huid, met diep van binnen dat wat jij in essentie was.‘Ik ga nu…’, fluisterde je en toen vertrok je helemaal.Terwijl ik hier weer lig, voel ik dat jij er bent. Geen delen, maar helemaal  compleet. Misschien dat mijn rug daarom minder koud voelt, alsof je jouw warmte omhoog stuurt.De kou begint te verdwijnen, mijn lichaam gloeit. De lucht is minder druk en ik kan de vlokken nu zien dwarrelen. Voorzichtig draai ik op mijn zij.Dan voel ik je tegen me aanschuiven, je gezicht in mijn hals, wriemelend en vertrouwd. Je arm als een deken over mijn zij. Een warme gloed trekt door mijn lichaam. Ontspanning, liefde, rust. Ik negeer het onmogelijk en sluit mijn ogen.Eindelijk zijn we weer samen…

Slapen

Nog maar een paar uur en dan is het voorbij. Het is een raar idee. Natuurlijk weet iedereen dat het leven eindig is, maar wanneer het dan zo dichtbij komt dan wordt het natuurlijk we heel erg echt. De artsen zijn het er niet over eens wat het nu precies is, maar dat ik vandaag nog dood ga, ja, daar zijn ze het wel over eens.Het vreemde is dat ik mij helemaal niet ziek voel, dus ook niet echt denk dat ik er over een paar uur niet meer ben. Ik kijk naar de mensen om me heen en denk: ‘Jullie wel, voor jullie is er nog een toekomst. Sinterklaas gaan jullie collectief vieren, misschien niet met elkaar, maar vieren gebeurd toch zeker wel.’ En hoewel ik niets om Sinterklaas geef voel ik me toch een buitenstaander, omdat ik weet dat ik het niet meer zal meemaken. Sterker, ik zal de dag van morgen niet eens meer beleven.Ook zal ik die serie die ik al een paar jaar volg niet meer kunnen afzien en de nieuwe lentecollectie van volgend jaar, ook die zal aan mij voorbij gaan. Geen oliebollen, geen verjaardagen, geen vakanties waarvan ik achteraf denk: ‘Dat had beter gekund’, en geen regenachtige momenten, want vandaag schijnt de zon.Maar het ergste van alles zijn de dromen die ik nooit meer zal zien uitkomen. De droom hoe mijn kinderen er over 15 jaar uit zullen zien is er daar één van, mijn roman in de boekschappen van de plaatselijke boekenwinkel een ander.Ik neem me voor dat ik niet dood ga. Ik voel me niet ziek dus het gaat gewoon niet gebeuren. De artsen hebben ongelijk, dat komt vaker voor. Om dood te gaan moet ik me toch minstens onwel voelen.Moe ben ik wel, dus ik ga gewoon even rusten, en als ik dan straks wakker word dan ben ik alles vergeten en ga ik gewoon verder met mijn leven.Misschien regent het dan wel.

Schimmenspel

Het donker put me uit, vaagt me weg. Laat mijn diepste wezen verdwijnen in een tijdloos iets. En waarom eigenlijk? Waarom kan ik mijn bestaan niet in gewone helderheid leiden. Waarom kan ik niet uiting geven aan dat wat ik ben, aan dat wat ik wil zijn.Vroeger was alles zo anders, vroeger zou dit alles niet plaats hebben kunnen vinden, zou er geen ruimte worden gegeven aan zijn angst, zijn vrees. Maar ja dat was vroeger. Nu bestaat vroeger niet meer. Nu lijkt vroeger een belachelijk iets en is hangen in een verleden wat er uiteindelijk niet meer toe doet nog belachelijker dan al zijn ongegronde angsten die mij hier hebben doen belanden.Het begon allemaal als kleine eigenaardigheden. Als de zon scheen en ik de mooiste, langste en donkerste capriolen maakte leek hij van mij te schrikken. Eerst besteedde ik geen aandacht aan deze kleine eigenaardigheden. Ik vond zijn schrikreactie’s eigenlijk wel grappig, ze maakten mijn zijn nog werkelijker, nog schokkender. Ik was me natuurlijk ook van geen kwaad bewust. Alles ging namelijk in samenspel met hem, zonder zijn bewegingen kon ik immers niet bestaan.Maar goed, zoals ik al zei ik kon er in het begin wel om lachen, tot ik begon te merken dat hij zich alleen nog maar ging ophouden in het schemerlicht. Ik voelde me zwakker worden, maar kon me nog net handhaven in het flakkerende licht van de kaarsen die hij ter vervanging aanstak. Mijn vrolijke vormen veranderden in grillige, angstaanjagende beelden die over het meubilair gleden en hem nog meer in zijn schulp lieten kruipen. Wat kon ik doen? Ik was afhankelijk van hem, ben nog steeds afhankelijk van hem. Ik heb geen krachten van mezelf. Hij bepaalt, hij beslist, hij laat me zijn, hij sloot ons op. En daar zaten we dan, hij in de waan dat ik was verdwenen en ik in de zekerheid dat hij werd wat ik altijd was geweest. Zijn vrees ging hem echter ook in het duister overheersen, zijn eigen duistere ledematen waren verworden tot meer dan alleen ledematen en hij besloot liever deze wereld te verlaten in plaats van één te zijn met zijn grootste angst.Ze vonden hem bungelend met mij dansend aan zijn voeten. Het licht wat binnenstroomde toen ze hem daar zagen hangen was mijn grootste moment. Ik bestond weer, zingend in de zon liet ik mijn vrolijkste capriolen zien, bestaande uit de gruwelijkheid van zijn eenzaamheid, zijn niet zijn. Ik ademde het licht in, was zo gelukkig, dacht in mijn naïviteit dat na het geluid van hamer het licht wel weer terug zou komen. Zelfs toen ik het donkere geluid van zware aarde boven mijn hoofd hoorde vallen besefte ik niet dat ik voor altijd werd ingesloten.En nu lig ik hier, al een eeuwigheid, tenminste zo voelt het. Er zijn er meer zoals ik. Soms als mijn eigen gegil in mijn hoofd even verstomd lijkt het net of ik ze kan horen. Schrapend tegen de muren van hun zesvlakkige gevangenissen, smekend om licht, smachtend naar leven. Wachtend op bevrijding, wachtend op een laatste dans, bevrijdt uit het niets van het schaduwloze duister…© Natasza TardioNOTE: Dit stuk was eerst geplaatst in het Engels, maar op speciaal verzoek van Di Mario ;-) heb ik het vervangen door een Nederlandse versie.

Ontwaken (vervolg op ‘Vlekken’)

     Haar gezicht brandde, het deed pijn. Terwijl ze haar rechterhand beschermend tegen haar wang duwde, kwam ze met behulp van haar linkerarm half overeind. Meteen kneep ze haar ogen samen. De zon scheen recht in haar gezicht. Ze hield haar hand schuin boven haar wenkbrauwen en opende haar ogen.Een open plek, met bomen. Overal om haar heen bomen. Ze draaide zich half om en zag dat het achter haar hetzelfde was. Om haar heen hoorde ze getjilp, met een continue bonk. Kadong, kadong, kadong. Een snel ritme, bonkend in haar hoofd en borstkast.Toen keek ze opnieuw naar voren. Er lag daar iets. Instinctief zette ze haar hand op de grond en duwde haarzelf verder naar achteren. De grond voelde nat en hobbelig. Wat daar lag was ook hobbelig. Flitsen van een gezicht schoten door haar hoofd. Gehijg, duisternis, gegil. Meer flitsen. Vlekken, ze zag zoveel vlekken.Zonder na te denken sprong ze overeind. Ze moest hier weg. Het gevoel overviel haar plotseling. Weg, ver weg van deze plek. De rode scheuten in haar rug, schouder, heup en enkel merkte ze nauwelijks op. Het was er wel, het was er niet. Ze moest in beweging blijven. Maar waarheen? Waarheen was de juiste weg?  Ze wist niet waar ze was, ze wist alleen dat ze hier niet moest zijn. Ze filterde wat voor haar lag weg en liet haar blik met een boog de rondte ingaan. Alles leek hetzelfde. Ze beet op haar onderlip en besloot richting de zon te lopen. Ze moest toch wat.Met een strak gezicht keek ze richting de bomen. Ze kon niet anders dan de open plek verlaten. Haar volledige zicht verruilen voor de beperking die het bos haar zou bieden. Beperking en bescherming, toen begon ze richting de bosrand te lopen.Beperking en bescherming. Ze had de roodbruine vlekken op haar kleding proberen te negeren, maar ze had ze wel gezien en zien is weten. Dat zei haar opa altijd. Zien is weten.Dus ze wist het. Ze wist dat ze iets met die hobbelige vorm die voor haar had gelegen te maken had. Wat ze nog meer had gezien probeerde ze te negeren. Hobbelige vorm was alles wat ze nu aankon en dat was al een heleboel voor dit moment. De rest kwam later wel…

Vlekken

     Diep in en uit ademend stond ze met haar benen wijd over het lichaam. Haar borstkast ging heftig op en neer en zonder verder te bewegen keek ze naar beneden. Gedachteloos veegde ze met haar hand langs haar gezicht. Toen diezelfde hand over haar mond gleed,proefde ze een metaalachtige smaak. Toen pas werd ze zich bewust. Alsof ze ontwaakte.Haar blik gleed naar haar rechterhand. Die voelde zwaar. Een bruingevlekte steen. Nat. Het gevlekte spreidde zich uit over haar hand en veranderde van bruin in rood. De plotselinge spanning in haar lichaam ontlaadde zich door haar hand te laten ontspannen. De steen stuiterde via haar enkel op de grond en meteen wierp ze haar blik weer op het lichaam, of om preciezer te zijn, op het gezicht. Net zo rood als haar hand. De linkerkant van het gezicht leek op een soort van moes.Langzaam stapte ze achteruit.  Een stem schreeuwde in haar hoofd. WAKKER WORDEN, WAKKER WORDEN, WAKKER WORDEN… en instinctief draaide ze haar hoofd van links naar rechts. Vlugger, sneller.  Ontkenning was het niet. Als die stem maar stil zou houden, dan kon ze nadenken.Half struikelend viel ze achterover. Slepend door de modder met haar kont, toen hield ze stil. Haar rechterbeen languit, haar linker half opgetrokken. De stem klonk nu meer achter in haar hoofd. Kwaadaardig, maar meer fluisterend. MOORDENAAR, MOORDENAAR… Maar ze kon geen moordenaar zijn. Ze kon het zich niet herinneren. De steen in haar hand was niet van haar. Het bloed… Wat gebeurde er toch?Wat was het laatste dat ze zich herinnerde, het laatste wat ze had gedaan voor ze hier was? Haar knijpende ogen trokken strepen in haar voorhoofd. Concentratie. Opperste ingespannenheid. Maar het bleef leeg. Er was helemaal niets. Tot het metaalachtige smaakje zich in haar mond had gemanifesteerd was er niets geweest. Een ‘awakening’. Haar geboorte als het ware. Maar de geboorte van wie? Ze herinnerde zich niets, zelfs wie ze was. Geen naam, geen gevoel, geen beelden, slechts leegte.Misschien moest ze gewoon blijven zitten. Dan zou er vanzelf wel iets veranderen. Waarom ze dat dacht wist ze niet. Ze voelde het gewoon.Dus bleef ze zitten. Zelfs toen het donker werd bleef ze zitten en toen haar ogen af en toe dichtvielen, toen nog bleef ze zitten. Pas toen ze echt in slaap viel gleed haar slappe lichaam langzaam onderuit. Na 45 minuten kroop ze ineen. Alsof ze in bed lag, met aan haar voeten een teddybeer. Het rood was dan gewoon waterverf.Hoewel je in het donker toch geen kleuren zag. Net als in dromen overigens…

Fragment: De ontmoeting

     ‘Mag ik u wat vragen?’ De jongen keek mij met opengesperde ogen aan. Persoonlijk heb ik het niet zo op dit soort ongevraagde verzoeken, maar iets in zijn blik raakte mij. Niet op een emotionele manier. Het was meer mijn nieuwsgierigheid die geraakt werd. We hadden dus meteen al iets gemeen. Om een wildvreemde zomaar aan te spreken kon alleen maar als de vragensteller nieuwsgierig of brutaal was. In het laatste geval zou de vraag meer een mededeling zijn geweest, dus ik weet zijn belangstelling aan nieuwsgierigheid.‘Dat ligt eraan. Wat is je vraag?’ Misschien wat kortaf, maar eenmaal uitgesproken kon ik daar niets meer aan veranderen. Daarbij leek de jongen het niet eens op te merken. De uitdrukking op zijn gezicht drukte eerder blijdschap uit.‘Bent u toevallig Simon van Diesen?’ Hoe kon hij dat in Godsnaam weten? Kende ik deze jongen? Ik bekeek hem nogmaals. Bruine lokken krulden wild rond zijn gezicht. Hij kon hooguit veertien jaar zijn, maar ik had hem nog nooit gezien. Kinderen kwamen nauwelijks voor in mijn wereld. Zelf had ik ze niet en van familie, vrienden en kennissen tolereerde ik ze niet. Ik had er nooit voor gekozen, dus waarom zou ik ze van anderen accepteren.‘Waarom wil je dat weten?’ Ik ergerde mij aan de opluchting die duidelijk uit zijn hele houding sprak.‘Dus u bent het.’ Een retorische vraag, dat was duidelijk. Uitgesproken als een vaststelling.  Toch voelde ik mij geroepen om te antwoorden. Al was het alleen maar om mezelf een houding te geven.‘Ik vroeg je waarom je dat wilde weten. Volgens mij heb ik het nog niet bevestigd.’‘Als u het niet zou zijn, waarom zou dan willen weten waarom ik dit wil weten. ‘ Nieuwsgierig en nu ook brutaal, maar hij had wel gelijk. Een slim ventje.Het bleef even stil. Zijn donkere ogen leken te fonkelen. Een gevoel van herkenning. Waar had ik die fonkeling eerder gezien?‘Bent u dit?’ Hij stak zijn hand uit, waarin hij een foto hield. Zwart-wit. Ik liet mijn blik over het plaatje glijden. Het was een jongere versie van mij, zittend op een bankje samen met blonde vrouw. Dat blond kon ik niet van de foto zien, maar ik herinnerde het mij. Zelfs de geur van het blonde haar kon ik nu bijna weer ruiken. Ik wilde de foto vastpakken, maar de jongen trok zijn hand terug.‘U bent het toch?’ Ik bespeurde een zekere vorm van irritatie, maar het kon mij niet schelen. Dit was drijfzand materiaal. Opnieuw bekeek ik het gezicht van de jongen. Ik wist plotseling weer waar ik die fonkeling eerder had gezien. Nog geen tien minuten nadat die foto was genomen, in de ogen van de vrouw die op de bank tegen mij aanhing.Zonder antwoord te geven draaide ik me om. Dit gesprek moest over zijn. Ik kende de jongen niet en ik wilde hem ook niet leren kennen. Het was een ongevraagd verzoek en daar hield ik niet van.Toen ik overstak keek ik nog een keer om. Hij stond er nog steeds. Zijn blik was veranderd, net als zijn houding. Verheugd zou ik het niet willen noemen, eerder teleurgesteld, hoewel ook dat niet de juiste omschrijving was.Natasza Tardio – 22 april 2008Note:  Stuk uit een novelle waar ik momenteel aan werk.

 

    Het lijkt wel of ze elke keer gekker wordt. Ze doet rare dingen en spreekt over zaken die zelfs ik niet begrijp. Twee weken geleden zei ze bijvoorbeeld dat ze me helemaal niet wil spreken, dat ik haar met rust moet laten, niet moet volgen. Ik ben eng, vies en iemand die ze niet wil leren kennen.En dat begrijp ik dus niet. Ze zegt dat ze me niet wil spreken, niet wil zien, maar haar ogen zeggen iets anders. Haar ogen zeggen dat ze me wil. Niet alleen om dagelijks even mee te kletsen, daar zijn vriendinnen voor. Nee, zij wil meer, veel, veel meer. Maar als ze dan zulke rare dingen gaat zeggen dan weet ik het niet meer hoor.Waarom is ze zo besluiteloos. Om zelf bijna gek van te worden. Ze maakt dat ik dingen doe die ik daarvoor nog nooit had gedaan. De lantarenpaal bijvoorbeeld. Tegenwoordig is dat elke avond mijn plek. De straat gedeeltelijk verlicht, het schemerige schijnsel dat vreemde schaduwen op de met kinderhoofdjes belegde straat werpt…Aan de overkant kijk ik dan naar driehoog. Ze houdt haar gordijnen meestal open, dus af en toe zie ik een arm, een profiel en als ik geluk heb een heel bovenlichaam, voor het raam verschijnen. Eigenlijk denk ik dat ze gezien wil worden. Ze is nu eenmaal een flirt.Ook behoort ze bij de oppervlakkigen, mensen die niet echt kijken. Ze kijkt dus ook niet echt naar buiten. Mij heeft ze immers nooit zien staan. Anders had ze me wel binnen gevraagd. Dat ze mij niet wil leren kennen is haar manier van grapjes maken.Omdat ik me niet graag opdring heb ik ook nooit aangebeld of mijn nachtelijke wachten gemeld. Ze zou het niet kunnen begrijpen. Te oppervlakkig en natuurlijk gek, zo gek als een deur.Soms mis ik haar zomaar. Dan stel ik me voor dat ze in mijn armen ligt. Samen op haar bed. Schone lakens, de zon die door de oranje gordijnen de slaapkamer in vuur en vlam zet. Ik kan haar aanraken en zij mij. We lachen samen, vrijen samen en, als het ver in de middag is, stappen we samen onder de douche. Maar dat is slechts soms. Meestal ben ik namelijk woest op haar. Komt door die gekheid. Dat en het geflirt.Ze flirt met iedereen. De buurman, de postbode, de vakkenvuller in de supermarkt, het maakt niet uit. Zolang het mannelijk is geeft ze het haar liefste lach. En ze denkt dat ik dat niet zie. Hoe stom moet je wel niet zijn. Hoezo zou ik het niet zien? Ik zie alles, letterlijk alles.…In elk geval alles wat haar aangaat.Maar goed, ze mag dan wel gek zijn, ik weet zeker dat ze van me houdt. Ze is namelijk stapel op mij, tot over haar oren. Echt waar. Daarom doe ik dit ook allemaal, besteed ik al mijn vrije uren en zelfs een flink aantal werkuren aan haar. Hou ik haar in de gaten en zorg ervoor dat ik alles zie. Ik moet haar beschermen, voor haar bestwil, omdat ze van me houdt en ik van haar…Misschien moet ik wel naar boven gaan en haar helpen met slapen. Of moet ik toch afwachten? Gewoon, hier onder de lantaarnpaal. Wat zou zij willen? Waarschijnlijk wil ze dat ik boven kom. Vrouwen die nee zeggen bedoelen toch eigenlijk ja. Zeker met die vragende ogen van haar. Vermoeide ogen. Echte liefde.Er zit niets anders op. Het is tijd, tijd om naar boven te gaan. Ik ga haar helpen, zodat ze altijd kan slapen en dan ga ik naast haar waken. Eindelijk rust. Voor haar en mij.Hoe zou de lantaarnpaal er van bovenaf uitzien…?© Natasza TardioUPDATE: Zie de website van mijn collega-schrijfster Carien Touwen voor een leuke reactie op dit verhaal. Een echte aanrader: http://www.carientouwen.com/index.html

Op verzoek fragment inzending Contact Schrijfwedstrijd

Tea bags    …Verering blieft geen menselijkheid. Of beter, verlangt geen zwakheid. Menselijkheid is een zwakheid en deze horen dus ook niet bij een God. Waarschijnlijk ben ik dat voor Em. Voor mij zijn mannen van hun sokkel gevallen Goden. Triest, maar waar. Hun menselijkheid is van een verdorven soort, maar menselijkheid kent geen schaamte.
     Deze wetenschap heb ik reeds op mijn twaalfde opgedaan. Mijn vader in bed met tante Bets. Een gruwelijk beeld. Rimpelige theezakjes vanwaar mijn vaders hebberige lippen zich terugtrokken.
In retrospectief was dat ook het moment dat ik plastische chirurgie in mijn hart sloot, of in elk geval de voedingsbodem waarop omarming van dit concept later volop tot groei kon komen.
     Mijn vader was een hitsige ouwe lul. Een gevallen God. Dat besef was misschien nog wel erger dan de gruwelijkheid van tantes theezakjes.
     Bijna werd ik gedwongen van mijn vleselijke vrees bevrijdt. Bijna. Zoals het wel vaker gaat in mijn leven heeft het lijden, dat mij altijd zo ruimharig ten deel valt, bij mij altijd de gewoonte om zich zo lang mogelijk uit te spreiden. Een soort van uitgerekte marteling. Laat mij sterven, niet lijden. Echter voor mij geldt het tegenovergestelde. Laat mij lijden, niet sterven. Of in elk geval heel langzaam.
     Toen mijn moeder van binnenuit werd veroverd door de kanker en ze afscheid moest nemen van haar linkerborst, noemde de oncoloog het woord erfelijkheid. Mijn hart sloeg even over, maar een paar maanden later, onder het genot van een glas champagne, werd mij een toekomstige gruwelijkheid ontnomen. Mijn jongste zus belde. Zij was niet genetisch belast, maar wel geestelijk ontlast. Het laatste had ze er grinnikend aan toe gevoegd. Erg gevat voor haar doen.
     Eigenlijk wist ik toen al dat de uitslag voor mij hetzelfde zou zijn. Noem het een voorgevoel. Twee dagen later werd dit een zekerheid. Vanaf die dag heb ik geen champagne meer gedronken.
     Mijn zusje begreep er helemaal niets van. Of ik niet blij was met het goede nieuws? Geen moeilijke beslissingen en onze heuvels van lust intact behouden. Oh victorie. Mijn zorg over de meer imminente dreiging van rimpelige theezakjes, deelde ze niet. Hoe kon ze ook, zij had tante Bets niet gezien. Ik wel…

——————————————–

Het is maar een heel kort stukje uit een veel langer geheel. Ik hoop dat jullie het iets vinden, maar nog belangrijker, dat de jury er tevreden mee zal zijn.

Carpe Diem

Natasza

Voor de geïnteresseerden hier de link van de Contact Schrijfwedstrijd: www.wineencontactcontract.nl

Vlucht

‘Achterlijke trut!’ Een groep meisjes, aangevoerd door een meisje met kort zwart hart, gillen allerlei vreselijke woorden door de lucht.‘Grijp die stomme kankertrut…!’ Zonder om te kijken ren ik verder. Er is geen tijd om te stoppen, niet nu. Nog lang niet. Niet voordat ze verdwenen zijn, of tenminste niet zo hard meer klinken. Afstand is alles wat ik nodig heeft. Lange benen ook. Net als mijn moeder.Volgens mijn zusje heb ik alle mooie dingen van onze ouders en zij alle lelijke dingen. Of zeggen pappa en mamma dat altijd. Ik heb de lange benen van mijn moeder, de krullen van mijn vader, de talenknobbel van mijn moeder en de muzikaliteit van mijn vader. Zij heeft niets van dat alles. Integendeel. Haar benen zijn kort, haar haar piekerig en waskleurig blond en haar ogen een vaag soort grijs. Geen enkele bijzondere eigenschap. Saai, dertien in een dozijn. Alleen, zij hoeft nooit te vluchten.Vanuit mijn ooghoek, kijkende mensen. Niet dat ze iets doen, maar de meewarige blikken ken ik wel. De groenteboer die altijd half zijn hand omhoog steekt, alsof hij één van haar achtervolgers bij de kraag wil vatten, maar zich op het laatste moment bedenkt. De oude vrouw van 2-hoog, die op haar klapstoeltje voor het portiek zit. Voor haar is dit gewoon amusement. Het zijn immers kinderen, ravottende kinderen, niets waar zij zich ongerust over hoeft te maken.Stroomstootjes schieten door mijn kuiten en ik ben de groenteboer en de oude vrouw alweer vergeten. Ik heb geen tijd om lang over dit soort dingen na te denken. Ik voel de lucht als een scherp mes mijn longen binnenstromen. Ook in mijn zij voelt het alsof er iemand met een scherp object aan het peuteren is.Ik ren een smalle steeg in. Overal staan spullen, kisten, vuilniszakken. Een ijzeren trap omhoog. Waar ben ik veilig? Dan zei ik een wat grotere ijzeren vuilcontainer staan.‘Waar is ze gebleven?’ Rennende, marcherende voeten. Duizenden naaldjes prikken in mijn buik. Haast, altijd op de vlucht. Lange benen, goed om te rennen, goed om te klimmen. Snel ga ik op mijn tenen staan en duw de deksel omhoog. Een vieze walm komt mij tegemoet, maar zonder aarzeling zet ik mijn voeten tegen de zijkant van de container en trekt me omhoog. Stank jaagt mij geen angst aan. Rottende etensresten net zo min.De rand van de container duwt diep in mijn kuit. Ik duw mezelf over de rand.  De val doet niet eens pijn, zachte plastic zakken liggen op de bodem.De naalden prikken harder. De ijzeren deksel moet naar beneden. Mijn handen klauwen. Lange vingers. Ook van mijn moeder. Dan blijf ik stil zitten, in het donker.‘Kaboem, kaboem, kaboem…’ Mijn hart klopt in mijn oren. Suizen bijna. Dan hoor ik de stem van het meisje met het korte, zwarte haar. Die nieuwe.‘Weten jullie zeker dat ze hier in ging?’ Het antwoord kan ik niet goed horen, teveel stemmen door elkaar. Dan worden de stemmen zachter, alsof ze verder weg zijn. Het bonkt nog steeds. Nu in mijn hoofd. Wel langzamer.‘Rrggghhhhrrrr.’ Het ritselende geluid klinkt schuin voor me. Snel, dan is het weer stil. Niet ademen, vooral niet ademen.     Het bonken is weer begonnen. Hard en snel. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en probeer iets in de richting van het knisperende geluid te kijken.  Iets te onderscheiden in  het stinkende donker. Er komt zelfs geen klein beetje licht naar binnen, iets waaraan ik kan wennen, mijn ogen op kan ijken. Maar niets van dat alles. Daarbij zijn de kinderen die mij achtervolgen nog steeds ergens in de buurt. Hun stemmen klinken ver weg, maar niet ver genoeg. Net als kleine piepjes. Het is de angst. De angst hierbinnen en de angst daarbuiten.Misschien als ik doodstil blijf zitten, zonder te bewegen, misschien dat het dan allemaal verdwijnt.© Natasza Tardio – Fragment uit ‘Ik ben geboren in Disneyland’

Waarheden

 

In navolging op mijn vorige blog en eigenlijk ook mijn blog daarvoor, hier de volgende vraag die Mark mij stelde: Is de/een waarheid van belang? Mag en moet je kwetsen om mensen inzicht te verschaffen?Interessante vraag nietwaar? En volgens mij erg afhankelijk van de persoon en wat die persoon in zijn/haar leven heeft meegemaakt. Dit is mijn waarheid.Ik denk zelfs dat waarheden niet alleen van belang zijn, maar ook dat waarheden essentieel zijn. Als ze al niet essentieel zijn om te worden uitgesproken dan zijn ze essentieel omdat ze worden verzwegen. Een verzwegen waarheid zegt meer dan duizend opgebiechte huilverhalen. Deze hebben vaak meer tot doel het schuldgevoel te verlichten, dan iemand daadwerkelijk inzicht te verschaffen. Het rare is wel dat inzicht verkrijgen vaak alleen maar gebeurt nadat iemand gekwetst is. Alsof je leermechanisme pas in werking wordt gesteld, nadat je afweersysteem aan gort is geblazen en er louter en alleen een grote open wond overblijft. Dat is het moment om toe te slaan, het gat dat inzicht een weg biedt. Zodra je deze ‘window of opportunity’ bij je leersubject ziet, kies dan je woorden met zorg en wrijf ze goed in de wond. Het enige dat hier in de weg staat is de tweeling: Schuldgevoel en Ego. Schuldgevoel van degene die het leersubject kwetst en Ego van degene die gekwetst wordt en louter en alleen naar de woorden kijkt die zijn uitgesproken, in plaats van de les die tussen de woorden is te vangen. Ook hierbij moet in acht worden genomen dat de grootste kwetsuren worden opgelopen door verzwegen of erger nog, halve waarheden.

« Previous Entries